Een cherub die bedekt

Extra Lees tip:
Lees Ezechiël Hoofdstuk 28:1-19 (kijk ook in de oude statenvertaling), met name vanaf vers 12. Dit stuk gaat over een cherub die uit de hemel viel

Wat denk jij over deze tekst?
Wie is deze cherub? 

Zie jij een overeenkomst met de slang in de hof (vers 16)

Lees de blog en/of bekijk de video van deze blog.

Was Satan een beschermer?

In een grote bedekking 1 zagen we dat de slang de voetstappen van Yeshua wil bedekken. Hij probeert het voorbeeld, dat Yeshua voor ons nalaat om te volgen, verborgen te houden. Yeshua is de Weg, en Satan probeert ons weg te houden bij de juiste weg, de smalle weg, die naar het eeuwige leven leidt.

De tekst in Genesis 3, waar staat dat de slang de voetstappen van Yeshua bedekt, is de eerste profetie en een van de eerste karakteristieken over Satan die de Bijbel geeft. Waarom is dat? Omdat dit één van zijn voornaamste eigenschappen was toen God hem had gemaakt, maar toen in positieve zin.

In Ezechiël 28 wordt er een hemels wezen beschreven, een cherub die uit de hemel viel. Net als de meesten anderen geloof ik dat dit Satan was, aangezien cherubs het dichtst bij Gods troon staan. Zij lijken de voornaamste positie in de hemel te hebben na God.

Dit zegt God in Ezechiël 28:11-17 over Satan:

“Eens was jij een toonbeeld van perfectie, vervuld van wijsheid en volmaakt van schoonheid. Je leefde in Eden, in de tuin van God, en je was bekleed met een keur van edelstenen: met robijn, topaas en aquamarijn, met turkoois, onyx en jaspis, met saffier, granaat en smaragd, gevat in gouden zettingen. Op de dag dat je geschapen werd lagen ze klaar. Je was een cherub, je vleugels beschermend uitgespreid, je was door Mij neergezet op de heilige berg van God, waar je wandelde tussen vurige stenen. Je was onberispelijk in alles wat je deed, vanaf de dag dat je was geschapen tot het moment dat het kwaad vat op je kreeg. Door al het handeldrijven raakte je verstrikt in onrecht en geweld, en je zondigde; daarom, beschermende cherub, verbande Ik je van de berg van God en verdreef Ik je van je plaats tussen de vurige stenen. Je schoonheid had je hoogmoedig gemaakt, je had je wijsheid en luister verkwanseld.”

In deze tekst staat dat hij een beschermende cherub was. Het woord beschermend is in het Hebreeuws ‘cakak’ en betekent ook bedekken, verdedigen, insluiten en samenvoegen.

Als we kijken naar Cherubs in de Bijbel is te zien dat zij het dichtst bij de meest Heilige plaatsen zijn. Twee cherubs werden bij de hof van Eden geplaatst om te zorgen dat de mensen niet meer bij de levensboom konden komen. Er staat zelfs geschreven dat God op de cherubs vloog. Cherubs zijn machtige, geestelijke wezens die de tegenwoordigheid van God dragen en zijn troon omringen.

Toen God de Israëlieten instructies gaf om de tabernakel te maken, moesten ze ook cherubs maken die om Gods troon stonden. Ook het voorhangsel, het gordijn, dat toegang gaf tot de troon van God was versierd met Cherubs. Cherubs lijken dus de wachters bij Gods troon, en de plaats van Zijn tegenwoordigheid te zijn. Zij zijn degenen met de bevoegdheid de mensen wel of niet toe te laten bij God. Met hun vleugels bedekken ze of onthullen ze Zijn glorie.

Maak aan de beide uiteinden daarvan een cherub, eveneens van goud, één aan het ene uiteinde en één aan het andere uiteinde. Het moet een drijfwerk zijn, de twee cherubs moeten één geheel met de plaat vormen. Ze moeten tegenover elkaar staan, met het gezicht naar de verzoeningsplaat gekeerd, en hun vleugels moeten gespreid zijn zodat ze zich daar beschermend over uitstrekken. Leg de verzoeningsplaat op de ark; leg de verbondstekst die Ik je zal geven in de ark. Daar zal Ik je ontmoeten, en vanaf die plaats, boven de verzoeningsplaat, tussen de twee cherubs op de ark met de verbondstekst, zal Ik met je spreken en je alles zeggen wat Ik van de Israëlieten verlang.

Exodus 25: 18-22

Het woord bedekken van de slang in genesis 3 is een negatief bedekken, zoals wanneer je iemand ontvoerd of gijzelt en hem afhoudt om bij zijn geliefden te komen. Of als een roofdier, dat het zwakste dier uit de kudde afschermt van de rest, om het daarna te verslinden. Terwijl het woord bedekken van de cherub in Ezechiël 28 en Exodus 25 een beschermend bedekken is zoals een moeder die haar kind omringt en dicht bij zich houdt om het veilig te houden. Het beschermen van de cherub doet hij met zijn vleugels, die zich verstrengelen en zo een scherm of een hek vormen.

Toen satan uit de hemel viel, gebruikte hij zijn gaven niet meer voor God. Hij verdraait alles. Het voorhangels, wat God van de mens scheidde, is gescheurd toen Yeshua stierf. Door Zijn offer kunnen we nu bij God komen. Maar satan gebruikt nu zijn vleugels om ons alsnog te weerhouden de glorie van God te kunnen zien en in Zijn licht te wandelen. Uiteraard staan wij niet weerloos tegen deze tactiek van satan. Wij hebben het Woord van God. Maar hoeveel moeite doen de meeste mensen om deze te openen en alles wat we leren werkelijk te toetsen aan wat er staat geschreven? Hoeveel mensen lopen met de grote kudde mee? Hoeveel mensen staan er stil en nemen de tijd om eerst in Woord en gebed te onderzoeken of de weg die ze bewandelen wel werkelijk de voetstappen van Yeshua zijn? Wie zoekt? De middelen die God voor ons heeft klaargelegd ter bescherming werken alleen als wij ze ook toepassen. Er zit geen kracht in je Bijbel onder je kussen leggen of in je kast bewaren. Alleen door het Woord te openen, het te onderzoeken en toe te passen komt de kracht vrij die erin zit.

…als je erom vraagt de dingen te begrijpen, roept om scherpzinnigheid, ernaar zoekt als was het zilver, ernaar speurt als naar een verborgen schat – dan zul je ontdekken wat ontzag voor de HEER is, dan raak je met God vertrouwd. Want het is de HEER die wijsheid schenkt, Zijn woorden bieden kennis en inzicht…

Spreuken 2:3-6

Als je in acht neemt wat Ik zeg, zul je leren wat oprecht, eerlijk en rechtvaardig is, dan volg je altijd het juiste spoor. Want wijsheid zal je geest doordringen, je koestert je in kennis. Bedachtzaamheid zal je behoeden, inzicht houdt de wacht om je af te houden van de verkeerde wegen…

Spreuken 2: 9-11